Werknemers bouwen jaarlijks vakantiedagen op. De wet regelt het minimum aantal vakantiedagen en partijen kunnen onderling afspraken maken over extra dagen, de zogenaamde bovenwettelijke vakantiedagen. Het wettelijk minimum aantal vakantiedagen is bepaald in artikel 7:634 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW): vier keer de overeengekomen arbeidsduur per week, bij een fulltime dienstverband van 40 uren per week zijn dat 160 vakantie uren, dit zijn 20 dagen.

Afwijkende afspraken over het aantal (extra) vakantiedagen worden meestal opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst, in een personeelsreglement of in een cao.

Vakantiedagen kunnen vervallen of verjaren. Of de dagen vervallen of verjaren hangt af van het onderscheid tussen de wettelijke en de bovenwettelijke vakantiedagen.

Voor de wettelijke vakantiedagen geldt een vervaltermijn van zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Dit is geregeld in artikel 7:640a BW. Opgebouwde wettelijke vakantiedagen in het jaar 2022 vervallen dus per 1 juli 2023.

De bovenwettelijke vakantiedagen verjaren vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven. In artikel 7:642 BW is deze termijn bepaald. De door de werknemer opgebouwde bovenwettelijke vakantiedagen uit 2022 verjaren dan per 1 januari 2028. Een werknemer heeft dus meer tijd voor het opnemen van de bovenwettelijke dagen.

Als een werknemer in alle redelijkheid niet in staat is geweest om de wettelijke dagen tijdig op te nemen, d.w.z. binnen de vervaltermijn van zes maanden, dan is artikel 7:642 BW ook van toepassing op de wettelijke dagen.

De verantwoordelijkheid voor het opnemen van de vakantiedagen ligt bij de werknemer, artikel 7:638 BW regelt dit. Het voorgaande wil echter niet zeggen dat een werkgever passief kan zijn en niets hoeft te doen. Het Hof van Justitie heeft daarover namelijk het volgende overwogen. Een werkgever moet een werknemer daadwerkelijk in staat stellen de vakantiedagen op te nemen.

De werkgever heeft dus een actieve informatieplicht en dat houdt het volgende in. Een werkgever moet de werknemer informeren over de volgende zaken:

  1. welke wettelijke vakantiedagen nog niet zijn opgenomen;
  2. dat deze niet genoten dagen moeten worden opgenomen vóór 1 juli van dat jaar (de vervaldatum) en
  3. dat de gevolgen van het niet tijdig opnemen van die dagen betekent dat deze dagen komen te vervallen per 1 juli van dat jaar.

Daarnaast gelden nog de volgende criteria. Het informeren van de werknemer moet tijdig en adequaat gebeuren, een werknemer moet immers nog voldoende tijd hebben om de wettelijke dagen op te nemen en op die manier behoed worden voor het vervallen van de dagen. Een werkgever moet kunnen aantonen dat aan deze informatieplicht is voldaan. Het advies is dan ook als volgt: informeer minstens een keer per jaar, bijvoorbeeld in de maand januari, elke werknemer schriftelijk over het openstaand saldo niet opgenomen wettelijke vakantiedagen, dat het opnemen ervan voor 1 juli moet geschieden en dat de dagen vervallen per 1 juli als dat niet gebeurt. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt de informatieplicht niet. Heeft u nog vragen over dit onderwerp of over andere zaken neem dan gerust contact op met een van de juristen van Keizersgracht Juristen.

mr. Sabrina Geurts